De biografie van een ambtsketen: de keten van de sultan van Ternate

Dit artikel is van Caroline Drieënhuizen op de site Locus.
Caroline Drieënhuizen is historicus en werkt als Universitair Docent Cultuurgeschiedenis bij de Open Universiteit. Ze is gespecialiseerd in (post)koloniale geschiedenis, erfgoed en musea.
———————————————————————————————————————————-

Synopsis

Niet alleen mensen, maar ook objecten hebben een biografie. In dit artikel staat centraal de levensloop van een ambtsketen van de sultan van Ternate, afkomstig uit de collectie van het Rijksmuseum en sinds 2013 ‘op zaal’ te bewonderen. De verschillende betekenissen die tijdens het ‘leven’ van de keten door verschillende groepen mensen aan het voorwerp zijn toegeschreven, bieden een venster op de koloniale en postkoloniale geschiedenis en de manier waarop daar mee omgegaan werd en wordt. Uiteindelijk blijkt dat in Nederland na de Tweede Wereldoorlog de keten vooral begrepen werd vanuit een Nederlands-nationaal perspectief op de geschiedenis. De (post)koloniale geschiedenis is sindsdien naar de achtergrond verdwenen en bijna altijd benaderd vanuit een Westers perspectief.

Inleiding

 

Niet alleen mensen hebben een biografie. Objecten, van het speeldoosje dat van oma was tot aan die op dat leuke Franse dorpsmarktje gekochte aquarel, hebben die ook. Culturele voorwerpen maken een levensloop door waarin elke persoon, in verschillende periodes en plaatsen, een andere betekenis aan dat object hecht. Er vindt een doorlopend interactief en subjectief proces plaats tussen object, maker en eigenaren waarin met het verstrijken van de tijd en de verandering van sociale omgeving steeds een nieuwe laag aan het verhaal van het object wordt toegevoegd.[1]

Door te kijken naar de sociale en culturele biografie van objecten, zoals antropologen Appiah en Kopytoff dat in de jaren tachtig van de twintigste eeuw genoemd hebben, verschijnen steeds veranderende betekenissen van deze objecten die ons een venster bieden op een bepaalde tijd en plaats. Objecten geven zo zicht op de geschiedenis en de omgang daarmee. De vragen die daartoe aan de objecten gesteld moeten worden, zijn bijvoorbeeld: waarom en op welke wijze werden objecten gemaakt, waar werden ze verzameld en bewaard, wat was hun functie en voor wie, hoe werden zij uitgewisseld en, kortom, hoe fungeerden zij en welke betekenis hadden zij in de levens van mensen?

In dit artikel staat een ambtsketen van achttien karaats goud met 105 schakels uit Ternate, een eiland in het oosten van wat nu Indonesië genoemd wordt, centraal. Het glimmende juweel ligt, zoals dat heet, ‘op zaal’ in het Amsterdamse Rijksmuseum als ‘de keten van de koning van Ternate’. De ontstaansgeschiedenis van de keten en de verschillende betekenissen die diverse mensen in de loop der tijd aan het object hebben toegeschreven, geven inzicht in de geschiedenis en het functioneren van het Nederlands kolonialisme en het doorwerken van daaraan verbonden denkbeelden tot op de dag van vandaag.

Het geschenk. De VOC en de sultan van Ternate, 1675-1798

Voor Europeanen zoals de Nederlanders en Portugezen was het relatief kleine eiland Ternate al sinds de zestiende eeuw van strategisch belang. In dat gebied en verder naar het zuiden, op het eiland Ambon en in de Banda-archipel, werden de voor Europa zeer waardevolle kruidnagels en nootmuskaat verbouwd. In ruil voor militaire steun en geldelijke compensatie sloot de Verenigde Oost-Indische Compagnie contracten met de sultan van Ternate. Het betekende dat de kruidnagel- en muskaatbomen werden vernietigd zodat de Compagnie haar monopoliepositie in de zuidelijke Molukken kon blijven handhaven.[2] Het zou het einde betekenen voor de autonomie van het sultanaat: met de decennia werd de invloed van de Nederlanders steeds sterker en de sultan steeds afhankelijker van de VOC.

In 1675 kwam sultan Kaitjil Sibori, door de VOC ‘sultan Amsterdam’ genoemd, op de troon en bevestigde hij met een verdrag zijn bondgenootschap met de Compagnie. Als dank zond de Hoge Regering in Batavia een in Azië gemaakte geschakelde ketting met daaraan een penning waarin zij haar dankbaarheid uitsprak ten aanzien van de trouw van de sultan.[3] Dit was niet ongewoon: de Buginese leider Arung Palakka had er vier jaar eerder ook een ontvangen en op het unieke portret van de vorst van Tidore, Saifuddin (r.1657-1689), is de man afgebeeld met een vergelijkbare keten die hij schuin over zijn schouders draagt. Voor de Compagnie was het overhandigen van een dergelijke keten een bevestiging van haar almacht in de archipel en de aan de grootheid van de handelsmaatschappij onderschikkende dienstbaarheid van de desbetreffende machthebber. Het was, in Europese ogen, een symbolische bevestiging van gegroeide sociale en politieke relaties. Of het door vorsten als de sultan van Ternate ook zo werd gezien, is te betwijfelen.

De opeenvolgende sultans van Ternate maakten het imposante juweel (het is meer dan 160 cm lang en weegt ca. 745 gram) onderdeel van hun ‘rijkssieraden’, enigszins te vergelijken met Westerse regalia: de juwelen, kostbare of bijzondere voorwerpen, die vorsten en hun volk bescherming boden en waaraan vorsten hun macht ontleenden. Het waren om die redenen vereerde, zelfs sacrale voorwerpen. Vermoedelijk werd op dat moment ook de penning die aan de keten hing, en dus de boodschap van de VOC waarin de schenking werd onderbouwd, verwijderd. Wellicht werd dat gedaan om de keten te laten passen bij de andere, reeds aanwezige, gouden ketenen.[4] Met het verwijderen van de penning werd de toegang tot de kennis van de historische achtergrond van de schenking van de ketting bemoeilijkt. Hiermee verdween in Ternate de symboliek van de Nederlandse schenking. Terwijl de keten voor de VOC symbool stond voor zijn steeds verder reikende macht, werd het voorwerp in Ternate in een uitsluitend Ternataans narratief van vorstelijke almacht, zonder VOC, geplaatst.

Tegelijkertijd luidde de schenking van de keten moeilijke tijden in voor de sultan en de lokale bevolking: in 1683 zou dezelfde vorst, nadat hij nog tevergeefs geprobeerd had de Nederlandse invloed in zijn rijk te beperken, de volledige soevereiniteit van de VOC erkennen.[5] Het goud van de keten stond in schril contrast met de omstandigheden waarin de bevolking was beland: alleen de sultan werd geldelijk gecompenseerd voor de gederfde inkomsten terwijl de bevolking haar voornaamste inkomstenbron verloor en er niets voor in de plaats kreeg.[6] De politieke en sociale relaties waarin het object was ingebed tonen het verlies aan politieke autonomie, groeiende armoede en, uiteindelijk, sociale onrust die tot in de twintigste eeuw herhaaldelijk de kop op stak. De keten was een vergiftigd geschenk.

Het sultanaat onder koloniale druk, 1900-1940

Vlak na 1900 maakte de keten, tussen gouden en zilveren juwelen, kostbare kistjes, vazen, Portugese helmen en Europese geweren, nog steeds deel uit van de rijkssieraden van de sultan van Ternate, Haji Muhammed Usman, die sinds 1902 op de troon zat. De collectie werd gefotografeerd door de dan net opgerichte Oudheidkundige Dienst en door hen beschouwd als een bij elkaar geraapt ‘rariteiten’-kabinet van rijkssieraden dat, zo realiseerden zij zich wel, de macht van de vorst representeerde.

Ternate was op dat moment nog een relatief autonome staat binnen de Nederlandse koloniale staatkundige verhoudingen. De pogingen van de Nederlands-Indische overheid vanaf het einde van de negentiende eeuw om via direct bestuur haar grip op de archipel te verstevigen, raakten echter ook het sultanaat. De reeds in de zeventiende eeuw ingezette beweging de Nederlandse grip op het gebied te verstevigen, bereikte toen zijn hoogtepunt. In Jailolo, op de westkust van Halmahera, het veel grotere eiland ten oosten van Ternate dat viel onder het sultanaat, braken in het najaar van 1914 rellen uit toen Nederlandse bestuursambtenaren poogden het belastingsysteem te hervormen: de lokale bevolking werd in het kader van de modernisering van de kolonie financieel hoger belast en moest bovendien verplicht meer sago kloppen en wegen aanleggen. Controleur Agerbeek en zijn, in de berichtgeving helaas naamloze, bediendes werden vermoord toen een honderdtal boze dorpelingen zijn huis bestormde, nadat hij hen had toegesproken over de billijkheid van de genomen maatregelen.[7]

De koloniale en Nederlandse overheid en pers reageerden geschokt. Politicus en historicus Partha Chatterjee wees er al op dat koloniale staten gekarakteriseerd werden door machtsuitoefening en geweld, omdat de legitimiteit van dergelijke staten allesbehalve vanzelfsprekend was.[8] Zodra scheidslijnen tussen gekoloniseerde en kolonisator en de macht van de toch al zwakke koloniale staten betwist werden, zoals in het geval van een protesterende bevolking tegen een koloniale overheid, moesten de verhoudingen bevestigd worden en dat gebeurde veelal op een zeer repressieve manier. Historicus Henk Schulte Nordholt noemde koloniaal Indonesië niet voor niets een ‘staat van geweld’ waarin een ‘regiem van angst’ was gevestigd.[9]

De koloniale overheid reageerde in het geval van Halmahera zeer repressief: een oorlogsschip en een grote militaire en politiemacht werden naar het eiland gestuurd en de ‘kwaadwilligen’ werden in de dorpen opgespoord. Zoals de islam in het Westen al sinds de late middeleeuwen en zeker in de Nederlands laatkoloniale situatie beschouwd werd als een politieke dreiging[10], gebeurde dat ook ditmaal: de ‘opstand’ werd toegeschreven aan ‘fanatiek Moslimsche kampongs’.[11] De animistische bevolking was ‘een heel goedaardig slag van menschen, die [zich] (…) door de Mohammedanen hebben laten overhalen tot deelneming aan het verzet’.[12] Dit dominante koloniale vertoog was van grote invloed op het antwoord op de vraag wie onschuldig en wie schuldig was.

Toen de zendeling Johannes Fortgens (1876-1955) de toch al zeer argwanende en in dergelijke stereotypes denkende koloniale overheid meldde dat onder de bevolking het gerucht de ronde deed dat een ‘hooggeplaatst Inlandsch personage’ de moord op Agerbeek zou hebben aangemoedigd, werd de islamitische sultan van Ternate als zondebok aangewezen. Officieel werd van regeringswege steeds tegengesproken dat de sultan gearresteerd werd omdat hij de hand zou hebben gehad in de moord op Agerbeek, maar alles wijst erop dat hij moest boeten voor de uit de hand gelopen demonstratie op Halmahera. Zo berichtten kranten over de man als ‘een ledepop’ wiens Ternataanse onderdanen op Halmahera ‘een slechte invloed’ uitoefenden op de goedwillende animistische bevolking. Die slechte invloed werd, onder meer door journalist Henri Zentgraaff[13] en anderen in de Nederlands-Indische kranten, veelal verbonden aan de islam en gezien als de ‘eigenlijke oorzaak’[14] van de onlusten. En dus niet de belastinghervormingen of een falende overheid in haar optreden naar burgers.


‘Onze’ ketting veranderde wederom van betekenis: het was een museumstuk geworden, een restant uit een inmiddels vergane cultuur.


De sultan van Ternate werd gearresteerd op grond van het vermoeden dat hij en zijn zoon niet bereid waren de ‘opstandelingen’ op te sporen en in ‘het belang van de openbare rust en orde’.[15] Dit vermoeden was genoeg om hem in 1914 samen met zijn zoon te verbannen: eerst naar het eiland Bacan en vervolgens tot 1929 naar Bandung op Java, bijna tweeënhalfduizend kilometer verwijderd van Ternate. Hoewel het verbannen van politieke figuren zeker in deze periode allesbehalve uitzonderlijk was, waren er wel degelijk Nederlanders die de reden van de verbanning naderhand beschouwden als een ‘list’ en die daarom bekritiseerden.[16] De kritiek bleef echter marginaal en het beeld dat Europeanen van de man hadden, droeg daaraan bij: hij werd gezien als een Aziatisch potentaat met enkel oog voor zijn eigen rijkdom en geen aandacht voor zijn onderdanen;[17] een beeld dat niet zozeer berustte op de werkelijkheid, maar eerder op het oriëntalistische beeld dat Europeanen al eeuwenlang hadden van vorsten in wat zij het ‘Oosten’ noemden.

De troon in Ternate bleef vacant en de koloniale overheid, in de vorm van resident en assistent-resident, kreeg het directe gezag over het eiland.[18] De keten en andere rijkssieraden waren zowel letterlijk als figuurlijk ontdaan van hun symbolische waarde en betekenis voor het sultanaat en de samenleving: het paleis met zijn inhoud was door resident James al snel ingericht als museum waar ‘veel belangrijks evenwel niet te zien (is)’.[19] ‘Onze’ ketting veranderde wederom van betekenis: het was een museumstuk geworden, een restant uit een inmiddels vergane cultuur. De relatie subject-object veranderde en beïnvloedde de betekenis van de voorwerpen: niet de Ternataanse bevolking aanschouwde en vereerde de voorwerpen, maar Europese bezoekers, die er, getuige het citaat, niet heel erg door bekoord werden en de rijkssieraden, zoals de Portugese helmen en de door de VOC geschonken ketens, vooral beschouwden als historische relicten.

In 1929, veertien jaar na de gebeurtenissen in Halmahera, kreeg de zoon van de verbannen sultan van het koloniaal gouvernement toestemming de troon in Ternate te bestijgen: na het afleggen van de eed van trouw aan de Nederlandse resident aldaar, kreeg hij de rijkssieraden, met de keten, overhandigd en de sultanskroon op het hoofd gezet.[20] Het paleis werd weer een functionerend paleis en aan de rijkssieraden werd weer hun symbolische betekenis voor Ternate en de bevolking toegeschreven; een bevolking die massaal zijn steun betuigde aan de nieuwe sultan Iskandar Muhammed Jabir Syah (1902-1975), omdat zij zonder sultan het gevoel had gehad in achting te zijn gedaald.[21]

De Nederlanders omschreven de nieuwe sultan als een loyale, volgzame en verstandige vorst die niet onder de (kennelijk verderfelijk geachte) invloed stond van zijn vader en tijdens zijn verbanning Europees onderwijs had genoten.[22] Bovendien koos hij tijdens de oorlog de kant van de geallieerden en ging hij ook tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog mee in het streven van luitenant-gouverneur-generaal Van Mook tot de oprichting van een Verenigde Staten van Indonesië waarbij Nederlandse invloed gewaarborgd zou blijven.[23] De deelstaat van Oost-Indonesië was de enige staat van de voorziene eenheid die in 1947 tot stand kwam en waarin Iskandar Muhammed Jabir Syah tussen 1949 en 1950 als minister van Binnenlandse Zaken een rol speelde.

Het was echter niet zozeer loyaliteit aan de Nederlanders die de sultan van Ternate deze politieke kant op dreef, maar machtspolitieke belangen.[24] Het concept van een federale staat leek op het politieke systeem dat de sultans van Ternate al eeuwenlang in stand hadden gehouden en waarbij elk vorstendom binnen het sultanaat zijn eigen bestuurlijke macht behield. Tijdens de onderhandelingen die vooraf gingen aan de oprichting van de staat, eisten de sultans van Ternate, Sumbawa, Pontianak en Kutai dan ook dat zij als autonome politieke leiders geïnstalleerd zouden worden, met zo min mogelijke Nederlandse bemoeienis.[25] De sultan van Ternate wenste geen bestuurlijke inmenging meer van een land dat hem toch al aardig vergeten leek te zijn (‘ik voel me of ik beneden de Moerdijk woon’[26], schijnt hij gezegd te hebben tegen een Nederlandse journalist die hem in de zomer van 1948 kwam opzoeken).

Het sultanaat onder nationale druk, 1950-1960

Na 1950, toen Nederland officieel de onafhankelijkheid van Indonesië erkende en het land als eenheidstaat werd verenigd, bleek de sultan zijn machtsbasis definitief te verliezen. De Nederlandse politieke macht was verdwenen en binnen de nieuwe Indonesische Republiek bestond er een grote weerzin tegen de leidende rol van de oude aristocratie.[27] Ondanks dat de sultan zich kritisch had opgesteld ten aanzien van de Nederlanders, werd zijn actieve participatie in de federale deelstaat hem zwaar aangerekend door president Sukarno. Net als zijn vader onder de Hollanders, werd de sultan verbannen. In Jakarta zou hij de rest van zijn leven slijten als een van de vele ambtenaren van het ministerie van Binnenlandse Zaken. De troon in Ternate bleef leeg. Zonder van oudsher erkend politiek gezag werd het bestuur op het eiland wederom verlamd: het sultanaat verloor net als 35 jaar eerder zijn oude politieke en sociale rechten, macht en daarmee legitimiteit.[28]

Het verlies van sociale en politieke macht en daarmee ongetwijfeld ook financiën kunnen van invloed zijn geweest op het besluit van Iskandar Muhammed Jabir Syah in 1951 zijn keten te verkopen aan een Nederlandse antiquair. Het verkopen van voorwerpen waaraan hij als sultan zijn politieke macht ontleende, lijkt tekenend te zijn voor zijn sociaal-politieke neergang. Bij een notaris in Jakarta verklaarde hij, in het Nederlands, dat de keten in 1606 een geschenk was geweest van prins Maurits (1567-1625) aan sultan Said Barakat Syah (r.1583 – 1606). Met die herkomst gaf hij de keten een voor Nederland belangrijke historische betekenis mee en ontdeed hij het feitelijk van zijn Ternataanse waarde. De neergang van het culturele en sociaal-politieke belang van het sultanaat kan door deze verkoop en betekenisverandering eigenlijk niet treffender worden verbeeld.

De keten werd door de antiquair, die hem van de sultan kocht, met deze Hollandse historische context gepresenteerd op de Delftse Kunst- en Antiekbeurs die in 1952 in, nota bene, het Museum Prinsenhof plaatsvond. Ook dat was heel symbolisch: op de plek waar Willem van Oranje delen van zijn leven had gewoond en uiteindelijk zou sterven, werd de door diens zoon aan Ternate geschonken keten voor het eerst aan het publiek in Nederland gepresenteerd.

Kennelijk voelde het Amsterdamse Rijksmuseum wel wat voor dit verhaal van de keten. Het vroeg in 1953 de oud-landsarchivaris van Nederlands-Indië (en bovendien ook oud-controleur van Ternate) W. Ph. Coolhaas onderzoek te doen naar de herkomst van dit verhaal. Die kwam al snel tot de conclusie dat de keten waarschijnlijk nooit een geschenk is geweest van Maurits en in plaats daarvan later door de Hoge Regering in Batavia is geschonken. Zijn bevindingen bleken echter niet het Rijkmuseum van het plan af te brengen het sieraad in 1957 aan te kopen.

In het Rijksmuseum werd en wordt de keten gepresenteerd als een kostbaar geschenk van de Verenigde Oostindische Compagnie aan de sultan van Ternate. De symbolische betekenis van de keten als vereerd en gekoesterd rijkssieraad en legitimatie van de macht van de sultan is verdwenen en wat wordt benadrukt, is zijn historische betekenis vanuit Nederlands oogpunt. Toen de keten in 2010 te bezichtigen was in de tentoonstelling ‘GOUD’ in het Museum Catharijneconvent, werd voorzichtig in algemene termen de spirituele betekenis van de gouden keten besproken, maar feitelijk ging het vooral over de stoffelijke kwaliteit van het object.

Slot

De keten van de sultan van Ternate is in Amsterdam, na een eerder door de Nederlanders gecreëerde fase in Ternate zelf, definitief gemusealiseerd: ontdaan van tijd en plaats ligt de keten in een vitrine. Verdwenen zijn zijn functionele en symbolische betekenis als een van de voorwerpen die een vorst politieke, sociale en culturele macht verleenden. Het is een historisch en esthetisch voorwerp geworden dat vanuit Westers perspectief een verhaal vertelt over de Nederlandse geschiedenis in Azië.

De dramatische loop van de geschiedenis, die de grote betekenisveranderingen die het voorwerp heeft gekend tot stand bracht, nauw verbonden aan het functioneren van de (post)koloniale Indonesische staat, verdwenen uit zicht op het moment dat het Rijksmuseum de keten van de antiquair kocht. Geheel in lijn met wat verschillende historici al eerder hebben betoogd, werd het koloniaal verleden na de Tweede Wereldoorlog in een dominant Nederlands raamwerk geplaatst.[30] Een verleden dat enkel betrekking had op de Nederlandse natiestaat en ontdaan werd van zijn onaangename, scherpe kantjes, om, zoals Benedict Anderson al meende, een natie te kunnen worden. Het voorwerp zegt nu dus vooral iets over de geschiedenis van Nederland in Indonesië en weinig tot niets over sultanaat Ternate of het functioneren van de koloniale staat met zijn complexe en dynamische krachtenveld waarin de verschillende sultans van Ternate hun weg hadden getracht te vinden, maar waarin zij veelal, zelfs na de onafhankelijkheid, een speelbal in het politieke krachtenveld bleken te zijn.

Noten

[1] Caroline Drieënhuizen, Koloniale collecties, Europees aanzien. De Europese elite van Nederlands-Indië belicht door haar verzamelingen, 1811-1957 (Onuitgegeven proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2012) 14.

[2] Els Jacobs, Koopman in Azië: de handel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie tijdens de 18de eeuw (Zutphen 200) 28.

[3] Uittreksel Dagh-Register, anno 1676 (Realia 1632-1805) in: Rijksmuseum, documentatiemap NG-391 (Keten van Ternate).

[4] Kees Zandvliet red., De Nederlandse ontmoeting met Azië, 1600-1950 (Amsterdam 2002) 120.

[5] Ibidem, 119.

[6] Jacobs, Koopman, 29.

[7] Memorie van antwoord / Eindverslag der commissie van rapporteurs in: Handelingen der Staten-Generaal, 1914-1915. Bijlage B. Begroting van Nederlandsch-Indië voor het dienstjaar 1915. p. 12.

[8] Partha Chatterjee, The nation and its fragments. Colonial and postcolonial histories (Princeton 1993) 56.

[9] Henk Schulte Nordholt, Een staat van geweld (Rotterdam 2000) 8.

[10] Mirjam Shatanawi, Islam in beeld: kunst en cultuur van moslims wereldwijd (Amsterdam 2009) 44, 236. Michael Laffan, The makings of Indonesian Islam: orientalism and the narration of a Sufi past (Princeton 2011).

[11] Rotterdamsch Nieuwsblad, 7 november 1914.

[12] Algemeen Handelsblad, 9 februari 1915.

[13] Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indie, 11 januari 1915.

[14] Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indie, 27 januari 1915.

[15] Middelburgsche Courant, 12 januari 1915 ; Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indie, 8 april 1933.

[16] Het Vaderland, 10 juli 1930.

[17] Het Vaderland, 24 september 1927.

[18] Syahril Muhammad, Kesultanan Ternate: sejarah sosial ekonomi dan politik (Yogyakarta 2004).

[19] Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 25 februari 1927.

[20] De Sumatra Post, 17 september 1929.

[21] De Sumatra Post, 17 september 1929.

[22] De Sumatra Post, 17 september 1929; Herinneringen van Jhr. Mr. B.C. de Jonge met brieven uit zijn nalatenschap S.L. van der Wal ed. (Groningen 1968) 265.

[23] H.W. van den Doel, Afscheid van Indië: de val van het Nederlandse imperium in Azië (Amsterdam 2000) 183-184,186.

[24] Ibidem, 184.

[25] Rustam Hasyim, ‘Sultan Iskandar Djabir Syah: from Malino Conference to the Minister of Internal Affairs of Negara Indonesia Timur’, Pramita: Historical Studies Journal 26 (2016) 144-154; Van den Doel, Afscheid van Indië, 184; Piet Hagen, Koloniale oorlogen in Indonesië. Vijf eeuwen verzet tegen vreemde overheersing (Amsterdam / Antwerpen 2018) 720-721.

[26] ‘Ternate… en wat ik daar vond! Hier begon de Ned.-Indische historie’, Provinciale Drentsche en Asser Courant, 17 juli 1948.

[27] Hagen, Koloniale oorlogen, 720, 722; Van den Doel, Afscheid van Indië, 184.

[28] Hasyim, ‘Sultan Iskandar Djabir Syah’,153-154.

[29] Theo Paijmans, Goud: 8 geheimen van goud (Utrecht / Amsterdam 2010) 5.

[30] S.J. Ward en Robert Aldrich, ‘Ends of Empire: Decolonizing the Nation in British and French Historiography’ in: S. Berger en Chris Lorenz eds., Nationalizing the past: historians as nation builders in modern Europe (Londen 2010) 259-281;S. Legêne and M. Eickhoff, ‘Postwar Europe and the colonial past in photographs’, in: C. De Cesari en A. Rigney eds., Transnational memory. Circulation, articulation, scales. Media and cultural memory (Berlijn / Boston 2014) 287-311.

Over de auteur

Caroline Drieënhuizen is historicus en werkt als Universitair Docent Cultuurgeschiedenis bij de Open Universiteit. Ze is gespecialiseerd in (post)koloniale geschiedenis, erfgoed en musea.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s