Indonesisch erfgoed in het Nederlands Nationaal Archief (21 juni 2019)

Het onderstaande artikel is van de hand van: Caroline Drieënhuizen, historicus, universitair docent en gespecialiseerd in de geschiedenis van (koloniaal) Indonesië, materiële cultuur (vooral objecten) en kritische erfgoed- en museumstudies.
Het is gepubliceerd op haar site: https://carolinedrieenhuizen.wordpress.com/2019/06/19/fotos-albums-en-gastenboeken-indonesisch-erfgoed-in-nederlandse-staatsarchieven/#more-1018


Album met handtekeningen van Republikeinse autoriteiten aanwezig bij de receptie in Pematang Siantar ter gelegenheid van de eerste verjaardag van de Republiek, 17-8-1946. Vindplaats: Gouverneur Hasan te Pematang Siantar; bemachtigd 17-12-1948;[1] ‘Fotoalbum, waarschijnlijk van 1e luitenant KNIL Soedibio met vooroorlogse foto’s. Vindplaats: Gurka office, Polonia. Bemachtigd: 5-11-1946’.[2]

Het zijn dit soort beschrijvingen die men vindt bij de ruim drie à vierduizend tussen 1942 en 1949 in Indonesië gevonden of in beslag genomen bestanddelen in het NEFIS-archief in Den Haag. Dit archief, door de complexiteit eerder nauwelijks te doorgronden, is in 2016 door onderzoeker Harry Poeze van het KITLV voorzien van uitgebreide beschrijvingen waardoor we voor het eerst snel goed zicht krijgen op de inhoud van het archief. En die inhoud raakt aan actuele kwesties als dekolonisatie en restitutie van documenten en objecten.

Teruggave erfgoed

Het debat over de teruggave van ‘roofbuit’, zonder dat over het algemeen te definiëren, wordt  in Nederland vooral gevoerd door musea die onder de paraplu van het Nationaal Museum van Wereldculturen ressorteren, maar ook door instellingen als het Rijksmuseum en het Van Abbemuseum in Eindhoven. Natuurhistorische musea als Naturalis, met grote collecties afkomstig uit de voormalige koloniën, verworven met hulp van (dwang)arbeiders en lokale kennis, zouden tevens onderdeel moeten worden van het debat, betoogden collega Fenneke Sysling en ik onlangs nog op een congres in Berlijn. Nog te vaak gaan dergelijke musea uit van een vermeende universaliteit van wetenschap en daarmee objectiviteit.

Ook instellingen als archieven ontkomen niet aan het debat. Archieven weerspiegelen immers altijd de keuzes en noodzakelijk geachte informatie van hen die de macht in handen hebben. De Franse filosoof Derrida stelde reeds dat er geen politieke macht is zonder controle over het archief. Daarmee zijn archieven als documenten en de instellingen die zij beheren inherent politiek: zij bepalen wat een natie herinnert, over wie en waarom.[3] Archieven vormen een natie haar perspectief op de geschiedenis. Zij zijn het fundament onder de grote historische verhalen die verteld worden en creëren daarmee een maatschappelijke culturele werkelijkheid. De beperktheid van dit perspectief wordt meer en meer erkend. Zo organiseerde het Nationaal Archief congressen om te praten over de dekolonisatie van de archieven die zij in beheer hebben en om de eigen tentoonstellingen aan kritische evaluaties te onderworpen.

Het besef dat archieven bepalend zijn voor de geschiedenis en daarmee identiteit van een land is indertijd de reden geweest dat de Nederlandse instelling, toen nog Algemeen Rijksarchief geheten, na herhaalde Indonesische verzoeken archiefstukken buitgemaakt in december 1948 bij de verovering van Yogyakarta in Centraal-Java tussen 1975 en de jaren 1980[4] aan Indonesië heeft teruggegeven. Het land kon zo de leemtes in de kennis over de eigen strijd voor onafhankelijkheid invullen. Suriname moest langer zonder het eigen papieren geheugen doen: pas twee jaar geleden ontving het land uit handen van minister Bussemaker haar in 1916 naar Nederland overgebrachte archief weer terug.

Verzoeken om teruggave blijken essentieel. Zo beschreef archieftheoreticus Michael Karabinos in zijn proefschrift hoe een langdurige zoektocht naar de ‘Djocja-documenten’ in de Haagse archieven voorafging aan de teruggave in de jaren 1970 en 1980 en hoe tijdens die nasporing verschillende andere Indonesische archieven opdoken waarvan men in Nederland het bestaan niet kende (of vergeten was).[5] De vraag is natuurlijk wat hoort waar thuis? Minister Bussemaker stelde in 2017 bij de overdracht aan Suriname dat archieven bewaard moeten worden in het land waar de geschiedenis is geschreven. Maar is het wel zo simpel? De omgang met en inhoud van het archief waartoe de aan Indonesië teruggeven archieven behoorde, de Netherland Forces Intelligence Service (NEFIS) en Centrale Militaire Inlichtingendienst (CMI), opgericht tijdens de Japanse bezetting van Indonesië in 1942, is wat dat betref illustratief.

Soediobio en Rosihan Anwar in het NEFIS-archief in Den Haag

Deze Nederlandse inlichtingendienst vergaarde vanaf 1943 actief inlichtingen in de Indonesische archipel die van belang waren om, aanvankelijk, inzicht te verkrijgen in de activiteiten van de Japanse overheersers. Na 1945, met het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid, veranderde de doelstelling en wilde de Nederlandse overheid inzicht krijgen in de activiteiten en het denken van Indonesische nationalisten. Dat had als gevolg dat men niet alleen talloze brieven, brochures, pamfletten en officiële notities verzamelden, maar ook diverse persoonlijke fotoalbums, losse foto’s en gastenboeken waarna deze, binnen aparte afdelingen van de NEFIS, geanalyseerd werden.

Zo zag ik bijvoorbeeld het fotoalbum van waarschijnlijk eerste luitenant Soedibio van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Gevonden en buitgemaakt door een Britse Gurkha-officier op 1 november 1946 in, vermoedelijk, het tuindorp Polonia in het zuiden van voormalig Batavia. Het valt te verwachten dat het album gevonden is in het opvangkamp voor Europeanen en oude mannen en zieken dat in deze wijk in 1945 was gevestigd. Foto’s tonen kiekjes van een jong Indonesisch gezin met drie kinderen van een jaar of zes of zeven en een baby.

‘Wij passen op zusje’

‘Wij passen op zusje’, staat er in het Nederlands geschreven bij twee meisjes in de tuin, zittend op een groot kleed, een grote strik in het haar, met een mollige baby tussen hen in. Uit de foto’s leiden we af dat het gezin, wonend in een modern huis aan de Billitonstraat 18 in, vermoedelijk, Bandung, een auto met chauffeur had en uitstapjes maakte, met de man des huizes keurig in pak met stropdas, naar de Borobudur. Er werd getennist op de club ‘Bagelen’, gepicknickt en gezwommen (twee meisjes staren ietwat ongelukkig bibberend van de kou in de lens). Het enige echt opvallende aan deze intieme vakantiekiekjes en beelden van een militaire carrière (er zitten ook foto’s in van een Indonesische militair in Nederland en van één poserend met een gasmasker op) is dat de vader met een zekere regelmaat uit de foto’s is weggeknipt.

Een ander ergens in het voorjaar van 1946 in Batavia buitgemaakte fotoalbum is dat van de jonge journalist en schrijver Rosihan Anwar (1922-2011), vol foto’s van hem en andere jonge, knappe Indonesische en Europese mannen, lachend, met elkaar ginnegappend.[6] Ze tonen fietsuitjes waarin de vrienden poseren voor het moderne Hotel Homann in Bandung, het centrale treinstation in Batavia of boven op de Borobudur. ‘Our gang met Mr. Antes’, staat er onder een foto van het gezelschap op een van de tempelgalerijen geschreven. Voorin het album ligt een studiofoto in een insteekhoesje van hem met, vermoedelijk, zijn vriendin op schoot, gefotografeerd tegen de geschilderde achtergrond van een woeste zee. Andere foto’s met meisjes zijn voorzien van vrijmoedige teksten die vermoedelijk alleen voor insiders te begrijpen zijn (‘who’s the girl in the centre?’)

Op zijn plaats in Nederland?

In plaats van de nostalgische voorstellingen van schaars geklede anonieme mannen en vrouwen, werkend op rijstvelden – beelden die zo in Nederlands collectief geheugen aan de voormalige kolonie zijn verankerd – komt een heel ander, modern en westers beeld, maar vooral zeer persoonlijk beeld van de hogere klassen Indonesiërs rond 1940 naar voren. Behoren deze zo intieme, persoonlijke albums Nederland (nog steeds) wel toe? Of zo’n tastbare getuigenis van een jonge natiestaat als een gastenboek van een receptie ter gelegenheid van de eerste verjaardag van de nieuwe Indonesische Republiek?

Karabinos wijst erop dat vanuit Nederlands juridisch oogpunt documenten die niet gecreëerd waren door de Indonesische overheid niet gezien kunnen worden als Indonesisch eigendom. Ze zijn Nederlands militair bezit geworden na hun in beslagneming.[7] De geretourneerde ‘Djocja-documenten’ waren documenten van de Republikeinse regering in Yogyakarta. De albums en foto’s waren van particulieren.

UNESCO veroordeelt echter in zijn algemeenheid de praktijk van het in beslag nemen van archivalia door militaire of koloniale bezetters.[8] Wat is voor Nederland dan de cultuurhistorische waarde dat dergelijke documenten hier nog steeds in het Nederlands nationaal archief in Den Haag liggen? Natuurlijk wijzen de archieven hier in Nederland door hun context en inhoud ons indirect op het handelen van de Nederlandse overheid. Maar hebben wij daarvoor persoonlijke albums of gastenboeken wezenlijk nodig?

Over wiens erfgoed hebben we het hier? Wiens herinneringen? In hoeverre kan je, en dat is een punt dat Karabinos ook maakt, iets als ‘gedeeld’ erfgoed bestempelen als het buitgemaakt is? En, tot slot, wat is de rol en waarde van individuele persoonlijke verhalen in een nationaal meta-narratief over dekolonisatie en onafhankelijkheidsstrijd? Het Nationaal Archief, maar ook talloze andere archieven met materiaal uit de voormalige koloniën, zouden er goed aan doen eens bij zichzelf te rade te gaan en daar een duidelijk standpunt over in te nemen.

Met dank aan Remco Raben die me wees op de albums in het NEFIS-archief.

Noten

[1] Nationaal Archief, Den Haag, Netherland Forces Intelligence Service [NEFIS] en Centrale Militaire Inlichtingendienst [CMI] in Nederlands-Indië, nummer toegang 2.10.62, inv.nr. 5636.

[2] Ibidem, inv.nr. 3922.

[3] Verne Harris, ‘The archival sliver: power, memory, and archives in South Africa’, Archival Science 2 (2002) 63-86, aldaar 78.

[4] Michael Karabinos, ‘Indonesian national revolution records in the National Archives of the Netherlands’, in: James Lowry ed., Displaced archives (Londen/New York 2017).

[5] Michael Karabinos, ‘Displaced archives, displaced history’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 169 (2013) 279-294, aldaar 290.

[6] Foto’s uit het album van Rosihan Anwar. Familiekiekjes uit het album van vermoedelijk luitenant Soedibio. Nationaal Archief, Den Haag, Netherland Forces Intelligence Service [NEFIS] en Centrale Militaire Inlichtingendienst [CMI] in Nederlands-Indië, nummer toegang 2.10.62, inv.nr. 3034.

[7] Karabinos, ‘Indonesian national revolution’.

[8] Ibidem.


 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s